Iedere dierenartsenpraktijk heeft ermee te maken, het goed reinigen en desinfecteren van ruimtes, oppervlakken en materiaal is noodzakelijk in een goede praktijkvoering. De meeste praktijken werken met duidelijke protocollen maar in de praktijk blijkt dat lang niet elk protocol voldoet.
“Het belang van een goede reiniging en desinfectie in de dierenartsenpraktijk is natuurlijk evident, maar in de praktijk zien we veel onwetendheid. Over de werkzaamheid van middelen maar ook over de regelgeving omtrent desinfectiemiddelen. Zij vallen onder de biocides en moeten daarom aan strikte eisen voldoen”, vertelt Erwin Holl.
 
Processen
Wanneer je praat over het schoonmaken van de praktijk zijn er grofweg drie processen die hierbij plaatsvinden. Allereerst moet er gereinigd worden; het grove vuil moet worden weggehaald, waarna met water en een reinigingsmiddel al het vuil van oppervlakken en vloeren wordt verwijderd. Vervolgens moet er worden gedesinfecteerd. Een desinfectiemiddel doodt een gedeelte van bacteriën, virussen en andere ziekteverwekkers, maar niet alles, dit hangt af van de effectiviteit en dosering van het middel en de kwaliteit van schoonmaken. Alleen sterilisatie zorgt er vervolgens voor om iets volledig pathogeenvrij te maken. Steriliseren gebeurt alleen bij bijvoorbeeld instrumenten voor operaties of apparatuur. Er zijn ruimtes waarbij het voldoende is goed te reinigen, en slechts af en toe te desinfecteren. Andere ruimtes moeten juist dagelijks worden gedesinfecteerd zoals behandelkamers en de operatiekamers. Daarbij is tussentijds desinfecteren ook nog wel eens nodig, bijvoorbeeld na verlies van bloed, lichaamsstoffen of faeces.
Holl: “Dierenartsen zien uiteraard wel het belang van een goede reiniging en desinfectie, maar het ontbreekt vaak aan de juiste kennis. En heel begrijpelijk ligt bij dit onderwerp meestal niet de eerste prioriteit. Vanuit de praktijk kwam bij ons de vraag naar een goed product, maar ook naar een stukje bijscholing; welke middelen werken, maar voldoen ook aan de biocidewetgeving, hoe ga je daarbij te werk, in welke volgorde, noem maar op. Daar zijn wij mee aan de slag gegaan.”

Beperkte werkzaamheid
Holl en Seeger kwamen erachter dat er in dierenartsenpraktijken een grote diversiteit aan middelen wordt gebruikt voor zowel de reiniging als desinfectie, maar dat de werkzaamheid lang niet altijd afdoende is. Holl: “Traditioneel wordt in veel praktijken gebruik gemaakt van producten die detergenten (bijvoorbeeld zeep) bevatten voor de eerste reiniging. Veel van deze reinigers laten echter resten achter. Verwijder je die niet door na te spoelen, dan kunnen bacteriën en andere ziektekiemen zich hier juist in ophopen en een ‘biofilm’ vormen. Die resten zie je met name vaak in hoeken en randen van vloeren en oppervlakken. Wat ons verder opviel was dat er middelen worden gebruikt waarvan men denkt dat het een desinfecterende werking heeft, mede door de manier waarop deze middelen in de markt worden gezet, maar waarbij dat helemaal niet het geval is, een gevaarlijke situatie. Ook worden diergeneesmiddelen gebruikt ter desinfectie, maar hiervan is niets bekend over de werking voor oppervlaktedesinfectie. En we zien middelen in gebruik, waarvan het officiële Ctbg gebruiksvoorschrift vermeldt, dat ze niet in direct contact mag komen met dieren.”

 

Desinfectiemiddelen
Wanneer een keuze voor een desinfectiemiddel moet worden gemaakt, streef je naar een zo breed mogelijk werkzaamheid. De ideale werkzame stof schakelt niet alleen bacteriën, maar ook virussen, sporen en schimmels uit. Globaal gezien kun je de desinfectiemiddelen voor de dierenkliniek in vijf groepen indelen: alcohol, aldehyden, chloor, quaternaire ammoniumverbindingen (quats) en oxiderende stoffen. Helaas is er geen één middel dat alles kan en aan iedere werkzame stof kleven wel minpunten. Zo werkt chloor niet tegen sporen, zijn aldehyden vaak prikkelend voor de longen van de gebruiker en is bekend dat veelvuldig gebruik van quats kan leiden tot resistente bacteriën.

Maar hoe weet je dan welk desinfectans je het beste kunt gebruiken? Holl: “Over twee jaar zullen alle desinfectiemiddelen die in Nederland gebruikt mogen worden een nieuwe registratie krijgen. En alleen middelen die écht werken zullen worden geregistreerd. Op dit moment is de overheid al aan het controleren of de middelen die je via internet kunt bestellen aan de eisen voldoen. Er zullen dus ook desinfectans van de markt gaan verdwijnen. Naast een bewezen werkzaamheid moeten volgens de biocidewetgeving desinfectiemiddelen ook aan toxicologische eisen voldoen om zowel de mensen die ermee werken als de dieren die in de praktijk verblijven te beschermen. Daarnaast mogen ze niet belastend zijn voor het milieu. De middelen die zijn goedgekeurd zijn goed te herkennen aan het door het Ctbg (College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden) toegekende N notificatienummer op de verpakking”, legt hij uit.

Waterstofperoxide
Holl en Seeger kwamen tot de conclusie dat een oxiderende desinfectans met de werkzame stof waterstofperoxide (H2O2) in combinatie met perazijnzuur (PAA) de meest brede mogelijkheden biedt. “Je kunt het zowel inzetten voor reiniging als desinfectie. Als reinigingsmiddel heeft deze werkzame stof het voordeel dat er geen ‘biofilm’ ontstaat waardoor naspoelen met water niet nodig is. Dit komt doordat deze stof uiteenvalt in water en zuurstof. Daarbij heeft het een breed werkingsspectrum. Het werkt niet alleen goed tegen bacteriën en schimmels, het doodt ook sporen, en heeft een goede werking tegen virussen. Recentelijk heeft viroloog Prof. Dr. Eggers een EN 14475 screening uitgevoerd met het door Dispovet ontwikkelde desinfectieconcentraat (intensieve dosering)*, waaruit blijkt dat het ook effectief is tegen het zeer resistente Parvovirus.

 

*Dispovet heeft in combinatie met een ontkalker een schoonmaaksysteem ontwikkeld waar door middel van een mechanisch doseersysteem, dat is aangesloten op een wasmachinekraan, direct de juiste hoeveelheid werkzame stof aan het water wordt toegevoegd (Redi-System).